“De arme kent zijn familie beter dan de rijke.”

 - Duitsland-

Armoedebarometer

Zo’n 1,5 miljoen mensen lopen een verhoogd risico op armoede. Met name alleenstaanden, ouderen en eenoudergezinnen zijn kwetsbaar. Decenniumdoelen 2017 wil dat juist voor deze kwetsbare groepen maatregelen worden getroffen. Het doel is om in 2017 deze groep minstens te halveren.

Doel 3: Inkomen

Voor elk gezin, ongeacht de samenstelling, minstens een inkomen dat de Europese armoederisicodrempel bereikt.

Voor wie niet werkt zijn uitkeringen bijzonder laag, ook vanuit Europees perspectief. Een verhoging van alle uitkeringen is noodzakelijk. De hulp vanuit de bijstandregeling voor gezinnen is meestal tijdelijk, voorwaardelijk en afhankelijk van het lokale OCMW. Decenniumdoelen 2017 koos voor een Europees minimum dat ligt op de 60% mediaangrens. In mensentaal betekent dit dat we alle inkomens klasseren van de laagste tot de hoogste, en 60% nemen van het inkomen dat juist in het midden ligt. Zo ligt bijvoorbeeld het minimumpensioen voor werknemers vandaag op de 60% mediaangrens. De laagste uitkeringen zijn vandaag 4/5 van dit minimumpensioen.

Hoe zit het nu met het inkomen?

Uit een Europese vergelijking blijkt dat ‘beperkte financiële middelen’ en ‘financiële stress’ in de Belgische armoedeschaal doorslaggevend zijn.

Toegegeven, armoede is een complex fenomeen. Maar dat doet niets af aan het feit dat arm zijn vooral betekent te moeten leven of overleven met een ontoereikend inkomen. “Het opvallendste en centrale probleem bij armoede is, dat men het moet doen met een (zeer) laag inkomen” Werklozen, zieken, inactieven en (in mindere mate) gepensioneerden vallen vaker onder de armoederisicogrens dan andere groepen.

De basis voor de hogere bodemuitkeringen is een brede sociale zekerheid, die gebaseerd is op het verzekeringskarakter. Zonder een uitgebreide sociale zekerheid wordt het armoederisico nog veel groter.

1. Bodemuitkeringen onder de armoedegrens

Het Belgische stelsel van sociale bescherming vangt relatief goed op. De armoederisicokloof zonder een vervangingsinkomen is 18 % en met 3 %. Wie niet werkt heeft recht op zo’n vervangingsinkomen. In veel gevallen hebben mensen dit recht verworven op basis van het geleverde werk. Mensen die langdurig werkloos zijn of inactief zijn geweest (thuiswerkende partner bijvoorbeeld) vallen echter terug op een minimum aan rechten. Wie vandaag niet werkt, zal morgen (als gepensioneerde) nog armer zijn.

Vooral bij de laagste uitkeringen beschermt het stelsel nog niet genoeg. Om boven de armoederisicodrempel uit te komen moeten de bodemuitkeringen gemiddeld met ongeveer 25% verhoogd worden. Weliswaar hebben de laagste uitkeringen sinds 2000 een sprong voorwaarts gemaakt: een groei van 10% tegen 2008. En ze zijn welvaartsvast gemaakt. Toch blijft het verschil met het Europese minimum nog steeds aanzienlijk hoog. Afhankelijk van de uitkering gaat het om een verschil tussen 10 en 20%.

2. Onderbescherming

Mensen vallen om allerlei redenen door de mazen van het net. België kent in vergelijking met veel andere Europese landen een kleine groep van onderbeschermden, ongeveer 4.2%. Mensen zijn vooral onderbeschermd omdat ze hun uitkering niet opnemen, niet aan de voorwaarden ervan voldoen of geschorst zijn.

In een aantal gevallen voorziet het OCMW in aanvullende hulpverlening. Maar de praktijk tussen de OCMW’s verschilt sterk, en de voorwaarden lopen erg uiteen. Meestal gaat het om tijdelijke of eenmalige vormen van begeleiding. De aanvullende hulpverlening is noodzakelijk maar is geen structurele oplossing.

De Voedselbanken komen intussen handen en eten tekort. Voor het twaalfde jaar op rij groeit het klantenbestand.

3. Geen werk, maar onder contract

Mensen met een werkloosheidsuitkering of een leefloon worden begeleid naar een werksituatie. De resultaten van deze activering variëren en zijn afhankelijk van groep tot groep. Kansengroepen zoals vrouwen, 50-plussers en langdurige werklozen stromen veel minder door naar werk. Ze worden ook veel minder begeleid door arbeidsbemiddelaars.

Ook de OCMW’s zijn verplicht om leefloners tot werk aan te sporen. Ook hier is de praktijk bijzonder divers: het ene OCMW tekent een traject uit op langere termijn, het andere OCMW probeert mensen eerder in de sociale zekerheid te krijgen. Er is tevens sprake van een moeizame relatie met de VDAB, die de “moeilijke gevallen” soms doorsturen. Kortom, activering kan leiden tot integratie, maar evengoed tot werkloosheid en zelfs tot onderbescherming.

1 reactie op “Doel 3: Inkomen”

  1. verhas zegt:

    “Voor elk gezin, ongeacht de samenstelling, minstens een inkomen dat de Europese armoederisicodrempel bereikt.”
    Wat bedoelen jullie met ongeacht de samenstelling? Ons lijkt het eerder logisch dat een (vervangings)uitkering juist gemoduleerd wordt volgens de samenstelling van het gezin. Immers, een gezin dat met 5 personen moet leven van de uitkering van het gezinsbond is relatief armer dan het gezin dat met 2 of met 3 personen van dezelfde uitkering moet leven. De Gezinsbond pleit er dus voor dat er per gezinslid ten laste een bedrag bovenop de uitkering komt, zodat de armoedegrens per gezinslid bekeken wordt. Deze gezinsmodulering komt uiteraard bovenop de noodzakelijke verhoging van de minimuminkomens.


Mijn mening over dit onderwerp:


Vul hier je reactie in, het kan even duren voordat je reactie wordt geplaatst.

Pagina afdrukken