'Casuïstiek stuurt het sociaal beleid'

Het sociale beleid wordt steeds vaker verantwoord met spectaculaire voorbeelden van vermeend misbruik. Dit artikel onderzoekt hoe die focus op uitzonderingen leidt tot ingrijpende hervormingen, terwijl structurele oorzaken van armoede en uitsluiting onderbelicht blijven.

Er waait een stormwind door de sociale bescherming in ons land. Beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd van 184.000 langdurig werklozen moet 1,9 miljard opleveren tegen 2029. De hervorming van de ziekteverzekering en de activering van langdurig zieken moeten ervoor zorgen dat hun aantal tegen 2030 met 100.000 minder aangroeit. Verwachte opbrengst 2,2 miljard. Voor mensen die door deze maatregelen getroffen worden, zal dit tot sociale drama’s leiden. De boodschap is dat deze ingrepen de sociale zekerheid voor de toekomst moeten redden. Maar dit kan niet verbergen dat er steeds meer energie gaat naar het bestrijden van echte of vermeende sociale fraude. In de beleidsaanpak is er een groot verschil tussen wie overtuigd is dat vele zieken of werklozen slachtoffer zijn van een systeem dat niet goed draait, en diegenen die vinden dat de sociale zekerheid uitgemolken wordt door profiteurs. Die laatste opiniemakers schrikken er niet voor terug om de sociale zekerheid uit te kleden.

Maar wie de sociale zekerheid gezond wil maken en tegelijk perspectieven wil geven aan mensen die te lang zijn blijven steken in uitkeringen, moet kunnen garanderen dat er voldoende begeleiding  klaarstaat om hen terug aan een job te helpen of aan een zinvolle activiteit die een volwaardig inkomen oplevert. Laat die opdracht nu de bevoegdheid zijn van een ander beleidsniveau, de gewesten, waarover vaak gezegd wordt dat die toch iets meer budgettaire marge hebben, maar waar – opvallend toch – uitgerekend nu bespaard wordt in de uitgaven van de VDAB, ACTIRIS en FOREM. Wie er de geplande budgetten op nakijkt, zal tevergeefs zoeken naar de middelen die nodig zijn voor begeleiding en activering van mensen die ver van de arbeidsmarkt verwijderd zijn.

Op een veel kleinere schaal maar niet minder ingrijpend voor wie erdoor getroffen wordt, is er de geplande invoering van een centraal register en de plafonnering van sociale uitkeringen en sociale voordelen van mensen die leven met een leefloon in België. Dat moet jaarlijks 50 miljoen opbrengen vanaf 2027. Afhankelijk van de politieke kleur van de verantwoordelijke minister wordt een heel ander motief aangehaald voor de invoering van dat centraal register. Er ligt een wereld van verschil tussen wie “neen aan het profitariaat” roept enerzijds, en anderzijds wie het centraal register wil gebruiken om op te sporen wie recht heeft op aanvullende sociale voordelen maar die niet opneemt. In dat laatste geval is duidelijk dat de maatregel eerder extra uitgaven dan besparingen zal meebrengen.

Tegelijk wordt ook de kring rondom de mensen die leven van een leefloon fel verruimd: niet enkel de partner, maar al wie onder hetzelfde dak woont, ook meerderjarige (klein)kinderen, (groot)ouders en eventueel schoonfamilie, zullen worden aangesproken op hun inkomen. De focus op het plafonneren van uitkeringen is erg merkwaardig. Vele van de sociale voordelen zijn immers compensaties voor de ontoereikende uitkeringen. Vooral de minima, die bijna allemaal onder de armoedegrens liggen, volstaan niet om de kosten van het leven te dekken. Een sociale toeslag bij het kindergeld, een voordelig treinabonnement of energietarief, ze moeten dienen om te verhinderen dat mensen met een laag inkomen de aansluiting met de samenleving compleet verliezen. Vandaag heet het dat die cumul van sociale voordelen leidt tot extreem hoge inkomens voor wie leeft van een uitkering, ten koste van wie werkt aan een bescheiden loon en via zijn belastingen betaalt voor de voordelen van die profiteurs. Sociaal beleid wordt de laatste tijd vaak ontwikkeld op basis van casuïstiek, schokkende voorbeelden die aangedragen worden door ijverige journalisten en andere ‘fact finders’. Vaak zijn het uitzonderlijke situaties die de inspiratie leveren voor deze drastische maatregelen. De “fraudeurs” uit de reportage over de Rue de Dison in Verviers, een vluchtelingengezin met meerderjarige inwonende kinderen dat samen meer dan 4.000€ aan uitkeringen en sociale voordelen ontvangt, een langdurig zieke of werkloze die in het zwart verdient bovenop de uitkering. Die “excessen” worden giftig veralgemeend voor een ganse groep. Daarna volgen er maatregelen die iedereen van die groep over dezelfde kam scheren. Altijd gericht op kwetsbare mensen – leefloners, langdurig werklozen, vluchtelingen en migranten – die als “profitariaat” gelabeld worden, mensen die leven van een uitkering en dus “niet bijdragen aan de samenleving”. Bij het grote publiek gaat dit discours er in als zoete koek. Altijd volgen er maatregelen met restrictieve gevolgen op sociale rechten. Onder het motto dat sociale hulp moet gaan “naar wie het echt nodig heeft”. Het resultaat is steevast een toename van armoede van mensen die nu al op de rand leven.

Waar zit de belofte van sociaal beleid gebaseerd op wetenschappelijke onderzoek en op analyses van de te verwachten effecten? Het wordt tijd dat zowel de Vlaamse als de federale regering het engagement in hun regeerakkoorden naleven en voor beleidsbeslissingen beroep doen op armoedetoetsen, sociale impactmeting en wetenschappelijk onderzoek. Dat er werk gemaakt wordt van een ander discours dat de toegang tot rechten wil waarborgen en ervoor zorgt dat iedereen beschermd is.

 

Deze column werd gepubliceerd in het politieke magazine SamPol. 

Bouw mee aan een samenleving zonder armoede

Armoede mag geen eindpunt zijn. Het kan anders. En jij kan mee het verschil maken. Samen bouwen we aan een samenleving waarin iedereen meetelt.

Heb je een vraag? Wil je ons steunen of meewerken?